
Denkbeeldige landschappen
Licht dansende bomen langs een beekje. Een blauwe hemel met langzaam bewegende schapenwolkjes. Een eindeloos uitgestrekte weide met gras en grazend vee. Zowel in de schilderkunst als in de klassieke muziek heeft de natuur altijd een bijzondere plek gehad. Onze verhouding met de natuur en hoe zij wordt verklankt is iets wat mij ontzettend prikkelt. Het geïdealiseerde plattelandsleven komt veelal vaak voor in de klassieke muziek en is ook het vertrekpunt van de ‘pastorale’ symfonie van Ludwig van Beethoven, waar de aandachtige luisteraar zelfs de koekoek hoort zingen aan het einde van het tweede deel. Beelden van landschap, ingebeeld of niet, liggen ten grondslag aan veel werken in de Romantiek. Maar het idee van een landschap als idylle blijkt eerder gevestigd te zijn in de verbeelding van de componist dan in de realiteit.
Ook in latere werken werd er naar de natuur gekeken voor inspiratie. Als je bijvoorbeeld luistert naar La Mer van Claude Debussy, hoor je de golvende klanken van de zee klinken. Het stuk, dat bestaat uit drie symfonische schetsen, werd gecomponeerd in de bergen, waar de dichtstbijzijnde zee in de verbeelding van de componist schuilde.
Of neem ‘De Hebriden’ van Felix Mendelssohn. De componist werd geïnspireerd door de grootste zeegrotten en basaltzuilen op het Schotse eiland. De bekendste zeegrot op het eiland – Fingal’s Cave – heette oorspronkelijk ‘an Uamh Bhin’, wat muzikale grot betekent. Het is dan ook niet gek dat deze plek, waar water en het fijnkorrelig donker gesteente samenkomen, aanleiding heeft gegeven tot een bijzonder werk. Als luisteraar word je meegenomen naar dit landschap. Door de ‘leegte’ waar het werk mee begint, lijkt het alsof je ver verwijderd bent van het schilderachtig object. Niet veel later bevind je je midden in het dynamische landschap waar golvende loopjes en kwetsbare melodieën deel uitmaken van het decor.

Schets van Mendelssohn van Staffa. Eigendom van Music Division of the New York Public Library for the Performing Arts.
Naast een esthetische functie in de 19e-eeuwse klassieke muziek had landschap ook een andere functie. Het diende als toneel voor de Romantische denker. Franz Schubert schreef bijvoorbeeld een liederencyclus, Winterreise, waar een anonieme man door een winterlandschap dwaalt. Deze voettocht zonder bestemming weerspiegelt de zoektocht van de man naar zichzelf. De dwaler kan al zijn gedachtes ontplooien door de ruimte die het landschap biedt en leert zichzelf kennen ten opzichte van de natuurlijke elementen. Het landschap is hier een ‘passieve achtergrond’ (om Daniel Grimley te citeren uit Landscape and Ecology).
Achter het idyllische landschap schuilt een reeks aan complexe economische en social processen. Een stuk land is nooit een neutraal gegeven geweest of een ‘passieve achtergrond’ en tijdens de 19e eeuw – met alle ontwikkelingen die zich afspeelden tijdens de industriële revolutie – al helemaal niet. Muziek vormt het beeld van het landschap als onaangeraakt idylle, een landschap waar eenieder zichzelf kan vinden en de natuur kan bewonderen. Maar in de werkelijkheid was dit alleen voor de geprivilegieerde Romantische denker. Het is schitterend om te kunnen verdwalen in de 19e-eeuwse landschappen, zolang je je hoofd boven water houdt en niet verdrinkt in de verbeelding van de componist.