
Foto door Jitske Nap
Choreografie voor een zinkend schip
Verhaal bij Disintegration van Ryuichi Sakamoto
Met mijn ramen dicht klinkt de regen veel luider. Zelfs de miezer krijgt er een kleur van op zijn gezicht. Wanneer ik in de verte een groep donkere wolken zie verzamelen, dan trek ik alle luiken in mijn studio dicht en doe ik alle lichten uit. In het donker luister ik naar de repetitie van de storm. Eerst windstoten, daarna het eerste, voorzichtige getik van overenthousiaste druppels, waarna het totale kabaal losbarst: het hemelwater dat op mijn huis neerkomt als een symfonie van natuurgeweld. En, voor zolang het duurt, waan ik me totaal ingekapseld. Droog en veilig. Elke mogelijke zorg overstemd door het geratel.
Door de regen hoor ik mijn telefoon niet trillen. Pas als het is opgehouden, pak ik hem weer van de bijzettafel. Op het scherm lees ik dat het bericht van mam eerder binnenkwam, maar door Mona’s ongeduld naar de achtergrond is gedrukt. Ze heeft een vaste aanstelling in het Bimhuis gekregen. Met de vriendengroep wil ze naar de kroeg om het te vieren. Ze stuurt er wat ironische emoji’s achteraan. In de hoek van het scherm verschijnen spraakwolkjes van Vera en Tomas. Confetti en ballonnen stapelen zich in mijn scherm op, terwijl ik mijn moeders bericht lees: ‘geen kans op herstel – laten we morgen ff bellen – ik ga naar bed.’ Een half uur geleden was ze online.
De straat van de kroeg ligt er verlaten bij. Over de grond liggen fruit- en groenteresten die door zilvermeeuwen meters de lucht in worden genomen, waarna ze ze, als de smaak ze niet bevalt, met evenveel overgave op de grond laten storten. Een paar mannen trekken de zeildoeken van de marktkramen af, waarin regen zich heeft verzameld. In geroutineerde bewegingen gieten de mannen het water in de straatkolken. De gietijzeren skeletten blijven staan voor morgenochtend. Vanavond wordt leuk, besluit ik. Niemand zal iets aan me merken. Mona krijgt alle aandacht die zij wil. Vanavond draait vooral niet om mij. Ik haal een paar keer diep door mijn neus adem. Door het raam bij de voordeur zie ik Vera hard lachen.
‘Nou, kijk eens aan!’
Bij binnenkomst klapt Tomas in zijn handen. Direct staat hij van de tafel op, met de armen gespreid. Na onze omhelzing kijkt hij me aan, alsof hij nog iets wil zeggen, maar hij klopt alleen op mijn schouders. Vera komt ook overeind, geeft me een knuffel en fluistert: ‘Dat is een poos geleden!’ Alleen Mona blijft aan tafel zitten, maar maakt een verontschuldigend gebaar met haar handen. Ze zit volledig in de hoek weggewerkt. Het valt me op dat iedereen zich voor de gelegenheid heeft uitgedost. Zelfs Tomas heeft een overhemd aan. Voor even geneer ik me dat ik daar niet aan heb gedacht, maar niemand zegt wat van mijn slobbertrui en spijkerbroek. Als ik ga zitten, schenkt Tomas mijn glas vol uit de wijnfles die pontificaal op tafel staat. Kort proosten we met elkaar, en hij vervolgt zijn verhaal waarmee hij bezig was voordat ik binnenkwam. Over een oudere film waar hij ondersteboven van is.
‘Ja, het is zo’n film over Franse intellectuelen, máár’, zegt hij met klem, ‘wat er bijzonder aan is, is dat het scherm door tweeën is geknipt. Split screen. Waardoor je allebei de perspectieven ziet. Van de man én de vrouw. Een klassiek voorbeeld van –’
Mona leunt in haar stoel: ‘Wie heeft de muziek gedaan? Lijkt het wat op Climax?’
‘Geen idee. Het is nogal stil. Een lichaam verraadt wel een lichaam, bijvoorbeeld –’
‘Spoilers!’ roept Vera.
‘Nee, nee, daar gaat het niet om. Of nou ja, die vrouw is dement en die man is vooral bezig met het lezen van filmtheorie –’
‘Typisch,’ onderbreek ik hem.
‘…dus hij heeft in de gaten dat het niet goed gaat, maar niet echt. De routine is erin gesleten.’
‘Toch wel benieuwd hoe het eindigt. Is dat erg,’ lacht Vera.
‘Ze sterft,’ zegt Tomas definitief.
Een paar mensen komen de kroeg in. De deur blijft openstaan en laat de tocht binnen. Terwijl hij praat, blijft Tomas naar het glas in zijn hand kijken. Hij staat op met een zucht en doet de voordeur dicht. Uit de fles schenk ik mezelf nog wat extra wijn in. De droge nasmaak laat een zwaar gevoel in mijn keel achter. De drank zakt niet door naar beneden, maar lijkt in mijn keelholte te blijven liggen. Traag haal ik door mijn neus adem en glimlach als Mona tegen Tomas zegt: ‘Ja, Veer en ik kijken ook weleens een film, hoor. Les Olympiades, die hebben we laatst gezien en die was wel sexy. Heb je die ook gezien, Tomas?’
Vera kijkt Mona aan met een besmuikte glimlach: ‘Hebben wij niet ooit van je moeder Wild Side cadeau gekregen?’
Tomas moet hard lachen, waarna Mona haar gezicht theatraal achter een servet verbergt: ‘Ze bedoelde het echt goed, hoor! Sakamoto deed de soundtrack en –’
‘Ik vond die film anders best wel goed,’ zeg ik, ‘ik heb weleens –’
‘Nee, man,’ onderbreekt Tomas me en hij houdt mijn schouder vast, ‘Christopher Walken was waardeloos. Ik bedoel, heb je die film echt gezien?’
‘Ik heb weleens fragmenten gezien,’ probeer ik.
Mona draait zich naar Vera: ‘Stel je voor dat mijn moeder ons Benedetta of iets dergelijks had gegeven. Mij niet bellen, dat had ik niet getrokken. Dan was ik me zorgen gaan maken. Who’s that girl?’
‘Dat ze een Letterboxd-account heeft,’ zegt Tomas. ‘een watchlist vol met lesbische pulp!’
‘En stiekem met die ene buurvrouw neukt op de soundtrack van The Last Emperor,’ lacht Vera, ‘hè, toch, Moon?’
‘Jezus, hou op hoor! Laat Sakamoto erbuiten, daar wil ik helemaal niet aan denken!’
‘Nu wil ik juist alles van die man horen!’ roept Tomas.
Verslagen gooit Mona haar handen omhoog, wenkt in dezelfde beweging naar de ober. Ze wijst naar de wijnfles en maakt een vlotte, zelfverzekerde draaiende beweging met haar vingers. Daar heeft ze talent voor: om direct de aandacht van iemand te kunnen eisen, zelfs vanuit de hoek in een ruimte. Behendig haakt ze in op Tomas, die Vera uithoort over spicy boeken, en pareert zijn poging om haar in de zeik te nemen. Er vallen namen van auteurs die irrelevant worden verklaard; anderen worden op een schild gehesen en tot iconen gedoopt. Als Vera iets zegt dat op het randje is, zoekt ze oogcontact met Mona en dan komen Tomas en ik niet meer bij van het lachen. Samen met het droesem zakt mijn moeder steeds dieper naar de bodem van mijn glas. Zonder erbij na te denken, schenk ik mezelf weer bij en vraag ik aan Mona: ‘Noem jij jezelf eigenlijk nog weleens lesbisch, of eerder queer?’
Het gesprek valt langzaam stil aan tafel. Iedereen lijkt over de vraag na te denken, tot Mona de stilte doorbreekt: ‘Ik voel me oncomfortabel bij dat woord, eigenlijk. Ik weet niet of lesbisch nog genoeg de lading dekt, snap je? Het woord is zo vrouwelijk? En dat ben ik niet. Of ja, niet altijd. Ik vind het lastig om gewoon altijd iets te moeten zijn, begrijp je? Ik snap het belang van het woord en de geschiedenis en alles, maar…’ De stem van Mona breekt. Ze neemt een slok van haar wijn. In langzame halen aait Vera over haar rug.
Ongemakkelijk pluk ik aan het brood in het mandje, neem ook een slok van mijn wijn die zich weer in mijn keel lijkt te nestelen. Mona schuift over Vera heen en loopt naar het toilet. Tomas maakt aanstalten om mee te lopen, maar Vera gebaart dat hij kan blijven zitten. Ze pakt haar telefoon uit haar zak. Weer komen een paar mensen de kroeg in, maar Tomas staat niet op om de deur dicht te doen. Ze schudden hun jassen uit. Druppels trekken in de vloer en vormen zwarte puntjes. Ik vraag aan Vera of ik naar Mona moet gaan, maar ze haalt haar schouders op. Ze blijft razendsnel op haar telefoon tikken. Haar vingers komen neer als hagelstenen. Met een enkele teug sla ik mijn glas achterover. Bij een boer kruipt wat van de wijn terug naar boven.
Het was juist Mona, getalenteerde, altijd vooruitstrevende Mona, die tijdens haar rondleiding in het Bimhuis tegen me had gezegd dat ik altijd alles mocht vragen als ik iets niet begreep. Dat het niet nodig was om te doen alsof. Ze liep niet weg, zoals bezoekers van haar programmering in het Bimhuis soms wel deden bij het horen van de muziek. Ze was medeverantwoordelijk voor de experimentele, avant-gardistische programma’s en hield vooral van Ryuichi Sakamoto. Een borrel bij haar thuis ging altijd met een lezing samen. Zonder haar uitleg klonken sommige van zijn stukken alsof er een kat over de toetsen liep. Zijn latere pianocomposities waren een materiaalonderzoek van eerder gemaakt werk, legde ze ons uit, naar wat er allemaal nog meer mogelijk was met eenzelfde melodie. In haar ogen was Sakamoto een dokter. Hoe luider en meer opgebroken een stuk was, hoe zieker de noten in kwestie waren. Ik stelde me voor dat zij naar de aftastende pianoklanken luisterde, zoals ik naar de regen.
Tomas buigt over de tafel met de wijnfles in de hand: ‘Genoeg gehad?’
‘Nee, nee. Schenk bij. Nieuwe fles doen?’
‘Kan wel.’ Hij rekt zich uit en kijkt op zijn telefoon. ‘Waar dacht je aan?’
‘Denk je dat Mona weleens naar Sakamoto luistert in het donker?’
Vera kijkt direct op van haar telefoon: ‘God, ja, constant. Hou op met me.’
Tomas schuift met zijn stoel, en ik zie dat Mona uit het toilet loopt. Haar make-up is een beetje verlopen rond de ogen. Haar losse haar heeft ze strak naar achter gekamd. Voordat ze gaat zitten, strijkt ze gauw haar jurk glad. Ze neemt een slok van haar wijn. Vera pakt haar hand vast en Mona glimlacht flauwtjes naar haar: ‘Hoe gaat het met je moeder, Luc? Nog steeds ziek?’ Ze zoekt naar oogcontact: ‘Niks nieuws onder de zon?’
Tomas pakt zijn telefoon van de tafel en begint met tikken. Hij glimlacht om iets wat ik niet kan zien. Waar komen deze vragen opeens vandaan?
‘Wel oké,’ zeg ik.’Moon wil gewoon weten of dat de reden is dat je…’ valt Vera bij. ‘We horen zo weinig van je!’
‘Nou ja, mijn moeder is…’ begin ik. ‘En ik, nou ja.’ Ik haal mijn schouders op.
Uitdagend kijkt Mona kort naar Vera, alsof ze goedkeuring zoekt: ‘Dus er is niets aan de hand? Ze is beter?’
Ik zeg niets.
‘Weet je wat het is, Luc. Wekenlang houd je de boot af om met ons af te spreken en plots ben je er weer,’ Mona neemt een slok van haar wijn. ‘Misschien wil je het wel uitmaken met ons. Daarover heb ik in De Volkskrant gelezen.’ Ze kijkt samenzweerderig naar Tomas en Vera, die zich geen raad lijken te weten met haar plotselinge uitval. ‘Mensen die vriendschappen uitmaken. Hoe heet ze nou, die er vaak over schrijft. Help me even, Veer.’
‘Ik weet niet waar je het over hebt,’ sist Vera, ‘doe nou maar weer rustig.’
Mijn maag begint te draaien. De massa in mijn keel lijkt steeds verder omhoog te klimmen. Snel pak ik een glas water en neem een slok. De ober loopt naar de voordeur en doet hem dicht. Ik zit opgesloten.
‘Ik… ik weet het niet, Moon.’
Ik probeer op te staan, maar voel me duizelig. Alleen het gezicht van Mona zie ik nog scherp. Als ze met haar hoofd beweegt, vallen plukken haar traag van haar hoofd, tot er niets meer over is. Haar blik wordt grauwer en holler. Het zwart kruipt volledig langs haar ogen. Haar mond doet een poging om wat te zeggen, maar haar wangen vallen meer en meer naar binnen en zuigen zich steeds nauwer. Ziekelijk trekt haar huid zich terug op haar gezicht, de beenderen steken meer en meer uit, en ze lijkt in omvang te groeien, helt over de tafel heen. Ik zak steeds dieper in mijn stoel, terwijl Mona in haar nieuwe omvang over me heen groeit.
Ik schiet uit mijn stoel weg en trek mijn jas achter me aan. Voordat ik de deur uitloop, kan ik de stem van Tomas nog horen roepen en het kakelende gelach van Mona en Vera. Ze hebben me in de val gelokt, ik weet het zeker. Er is geen aanstelling, er is geen aanstelling, blijf ik herhalen tot ik op adem kom bij mijn voordeur. Met moeite krijg ik de sleutel in het slot. De regen waait mee naar binnen. Een gure wind doet me mijn broekspijpen klapperen. In de woonkamer stap ik in een plas water. De ramen staan allemaal open; de regen komt in zware toetsen naar binnen vallen, maar hoe hard ik ook trek, ik krijg de ramen niet meer gesloten.
—-
Lars Meijer (1994) is schrijver, redacteur bij Perdu en redactiesecretaris van nY. Hij rondde zijn studie Creative Writing aan ArtEZ in 2020 af met Alleen mijn vrienden zijn bang. In 2024 verscheen het werk in vertaling als I’ll Hide Your Name Inside a Word bij Furious Beautiful Press. Hij nam in 2025 deel aan de schrijfresidentie van deBuren. Tekst verschenen o.a. op Hard//hoofd, Jacobin Nederland, Versopolis, SKUT en in Extra Extra en DIG. Momenteel werkt hij aan zijn debuutroman over mannenlichamen.
Meer verhalen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief en ontvang elke maand een nieuw verhaal in je inboxje.
Voor onderweg, in bed of op de fiets: de verhalen hoor je nu ook in onze podcast.