Precisiepercussie

Door Suzanne van Nimwegen

‘Tijdens een van mijn eerste bezoeken aan een concert van het Concertgebouworkest viel mij iets wonderlijks op aan de slagwerksectie. De paukenspeler liet de hele tijd per ongeluk zijn drumstokje op de grond vallen en moest dan met zijn arm zover naar de grond reiken dat hij met zijn oor helemaal tegen het vel van zijn pauk aan kwam. Wat een onhandige drummer, dacht ik. Minutenlang zit hij met de armen gekruist te wachten tot hij mag spelen en als het dan bijna zover is laat hij van de weeromstuit zijn stokje vallen.

Opgewonden deelde ik na afloop mijn waarneming met de vriendin met wie ik het concert had bijgewoond, en toen ze klaar was met lachen verzekerde ze me dat de paukenist het stokje stevig in de hand had gehad en slechts bezig was geweest om continu zijn instrument bij te stemmen. Omdat er ondertussen een concert gaande was kon hij niet even een goede mep op die pauk geven om het geluid te checken, maar moest hij er met zijn oor tegenaan liggen om supersubtiel aan een schroefje te draaien. En dat wachten, dat was dus niet niksdoen, maar constant meelezen met de muziek en tellen, tellen, tellen. Schaamrood op de kaken, maar mijn fascinatie en bewondering voor die precisiepercussie was geboren.’

Gedreven door een minstens zo grote fascinatie voor deze groep, wijdde de Spaans-Nederlandse filmmaker Carmen Cobos haar laatste film The Royal Republic (De Koninklijke Republiek) geheel aan de paukenspelers en slagwerkers van het Concertgebouworkest. In haar krap anderhalf uur durende documentaire legt ze vast hoe deze bijzonder hechte groep zich beweegt binnen en buiten het Concertgebouw. We volgen paukenisten Nick Woud en Tomohiro (‘Tomo’) Ando en slagwerkers Mark Braafhart, Bence Major en Herman Rieken op de voet en krijgen een zeldzaam inkijkje in hun werk, karakters en samenspel. Carmen film regisseur, staat mij telefonisch te woord om wat meer inzicht en achtergrond te geven over het ontstaan van deze documentaire.

Welke betekenis heeft het Concertgebouworkest voor jou?
‘In 1995 nam mijn man Kees (Rijninks, ook Carmens vaste producent, red.) me mee naar het kerstconcert van het orkest. Kees en ik zijn die avond nog verliefder op elkaar geworden dan we al waren. In dit prachtige paleis met die wonderschone muziek realiseerden we ons hoeveel we toen al van elkaar hielden. Nu na al die jaren zijn we nog steeds partners, zowel in de liefde als in ons werk. Het Concertgebouworkest is symbool komen te staan voor het vieren van onze liefde.’

En klassieke muziek?
‘Ik heb altijd van klassieke muziek gehouden. Wat ‘moderne’  muziek betreft zeg ik altijd: na de Beatles ken ik niemand meer. Ik weet nog dat mijn broer me een plaat van Pink Floyd liet horen, ik vond het vreselijk. Ik wilde Chopin. Klassieke muziek brengt me tot rust, kalmeert me. Het brengt veel prachtige gevoelens naar boven, vooral melancholie. Ik kan het in mijn buik voelen.

Zelf ben ik helaas niet erg muzikaal aangelegd. Ik kan geen muziek lezen, kan niet zingen omdat ik geen toon kan houden. Vroeger in Spanje, bij de feria, waar flamencomuziek werd gespeeld en werd gedanst, vroegen m’n vrienden me alsjeblieft niet mee te klappen want ik ging geheel tegen het ritme in. Mijn grootouders waren juist heel muzikaal: mijn opa speelde piano en fluit, hij was ook heel goed met percussie. Mijn oma speelde ook piano, ze konden beiden goed zingen. Ook mijn vader had een goed muzikaal gehoor. Thuis werd er trouwens nooit naar klassieke muziek geluisterd, of überhaupt muziek. Mijn moeder had vaak hoofdpijn en kon slecht tegen geluid. Mijn liefde voor klassiek heb ik dus niet van huis uit meegekregen, ik heb het echt zelf ontdekt door gewoon naar de radio te luisteren.’

de_koninklijke_republiek_24classics

Waarom wilde je specifiek aandacht besteden aan de slagwerkers?
‘Meteen die avond van het kerstconcert hebben Kees en ik besproken dat we een film wilden maken over het orkest. Het heeft even geduurd, tot 2014, maar sindsdien zijn er vier verschillende films van onze hand verschenen waarin we het Concertgebouworkest naar voren brengen.

Sinds Kees en ik de concerten in het Concertgebouw zijn gaan bezoeken, zaten we altijd op de trappen achter het podium, neerkijkend op het orkest. Vanaf daar kun je de slagwerkers en paukenspeler heel goed zien en je krijgt een goede indruk van wat een precisiewerk dat is. Het maakte ons nieuwsgierig.

Door de verschillende films die we al maakten over het orkest, ben ik bevriend geraakt met Herman Rieken (slagwerker, de Man van de Triangel, red.). Zo’n twee keer per jaar gaan we koffie drinken bij Wildschut om weer even de stand van zaken door te nemen. Toen we elkaar, midden in de pandemie, eindelijk weer eens live konden ontmoeten, vertelde Herman me dat hij een schat aan archieven had over de slagwerksectie. Herman is naast musicus ook een geestdriftig historicus. Hij had het erover dat hij een website wilde maken waarop hij alles kon tentoonstellen. Ik kon hem verzekeren dat ik hem daar niet bij kon helpen. Maar wat Kees en ik wel altijd al hadden willen doen, was een film maken over de percussionisten. Herman was meteen enthousiast. De directie deelde dit enthousiasme, dus zo geschiedde.

Percussie heeft me altijd geïnteresseerd. Van mijn jeugd in Spanje herinner ik me de processies die gehouden werden bij religieuze vieringen. Hierbij speelden de traditionele ‘bandas’ (soort harmonieorkest), op grote trommels waar ik altijd zeer van onder de indruk was. Bovendien maakte mijn grootvader mij al vroeg bekend met het ‘voelen’ van een ritme. Mijn grootvader zat altijd onophoudelijk overal op te trommelen en te tikken, kleine stukjes percussie op te voeren. In de flamenco, die typische Spaanse muziek met bijbehorende dans, is ritme het allerbelangrijkst. En ook daar gaat het heel erg om het voelen van de beat, het eigen maken van een ritme door je eraan over te geven. The tummy feeling.

Die eerste keer in het Concertgebouw werd mijn belangstelling meteen weer aangewakkerd. Het is zo’n kunst op zichzelf. Als je alleen al bedenkt hoeveel verschillende instrumenten een slagwerker zich eigen moet maken. Een violist heeft de viool, een en hetzelfde instrument, altijd. Een slagwerker heeft er wel honderd, die hij allemaal uit elkaar moet weten te houden, moet weten in te zetten op het juiste moment, en natuurlijk moet beheersen. Dit vraagt een heel andere muzikale benadering.
Wanneer ze schijnbaar geen actieve rol hebben in het concert, zitten ze altijd te tellen. Het komt neer op de kleinste details. Als een violist een foutje maakt, heeft hij of zij nog een hele zwerm collega’s om zich heen om die fout op te vangen en te verbloemen, te laten opgaan in het geheel. Dat valt niet zo op. Nogal een verschil als je in het hele stuk één kans krijgt op een perfect heldere aanslag op de triangel.’

Hoe vond je het werken met deze groep?
‘Doordat ik meerdere films over het Concertgebouworkest heb gemaakt en er dus al langer rondloop, ken ik de meeste orkestleden goed. Het was dus sowieso een vrolijk weerzien met oude bekenden. Maar wat me van deze groep in het bijzonder is bijgebleven, is de liefde die ze hebben voor elkaar. Je ziet in de film bijvoorbeeld dat Nick Woud heel beschermend is naar Tomo Ando. Er is een groot wederzijds respect en ze spreken dezelfde ‘taal’. Het was een plezier om te zien hoe hecht de groep is en hoe kameraadschappelijk en liefdevol ze met elkaar omgaan.’

In de film zien we de slagwerkers inderdaad als een groep die onderling heel hecht is en elkaar feilloos aanvoelt, maar die verder vrij los staat van de rest van het orkest. Ze hebben hun eigen ’percussiehok’ in het Concertgebouw waar ze veel tijd doorbrengen met zowel repeteren als gezellig kletsen (of audities voorbereiden). Ze maken er hun eigen instrumenten schoon, doen er onderhoud aan. Ze repeteren hun solo’s apart, ze zitten apart, en de dirigent besteedt ook niet veel aandacht aan ze. Herman Rieken maakt de opmerking dat als er in een compositie ‘bekkens’ staat, je het hier maar mee moet doen: er wordt door de componist verder niet toegelicht wat voor soort bekkens (er zijn wel dertig soorten) of wat je ermee moet doen (aanslaan met een stokje? Tegen elkaar aan?). Soms kreeg ik het gevoel dat ze een beetje vergeten werden. Was dit ook jouw indruk en heb je ze bewust zo in beeld gebracht?
‘Ik heb dat heel anders ervaren. Inderdaad hebben de slagwerkers hun eigen ruimte en ze repeteren hun solos apart om vervolgens hun bijdrage te leveren aan de okestrepetitiest. Maar dit heeft te maken met de instrumenten die in essentie anders zijn. En met het feit dat ze een enorme concentratie moeten hebben en heel erg veel moeten repeteren om dat precisiewerk te kunnen leveren. Dit wordt vaak onderschat.
Iets anders is ook dat de slagwerkers vaak hun achtergrond hebben in de ‘bandas’, de harmonie. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de strijkers, die vaak hun hele leven al een privéleraar hebben gehad en voorbestemd waren om te gaan spelen in een symfonieorkest. Het is voor iemand uit de harmonie helemaal niet zo vanzelfsprekend om ineens deel uit te maken van een eeuwenoud, internationaal gerenommeerd Koninklijk orkest. Ze maken daarin een bewuste keuze.
Vergeet ook niet dat die aparte positie de sectie heel onafhankelijk maakt. Het ontbreken van strakke instructies en begeleiding, met zo’n schat aan instrumenten om uit te kiezen, geeft ook veel vrijheid.’

Sommige van jouw films zijn vrij politiek of maatschappelijk geëngageerd. Hoe verhoudt deze film zich tot jouw andere werk?
‘Een terugkerend thema in mijn werk is de relatie tussen moderniteit en traditie. Aan welke tradities houd je vast in de moderne tijd, welke laat je los? Een orkest is altijd in ontwikkeling. In de film zien we dat er audities worden gehouden voor een nieuwe paukenist omdat Nick Woud het orkest zal gaan verlaten. Ze zoeken vernieuwing, letterlijk in de vorm van een nieuwe musicus, figuurlijk door bijvoorbeeld kritisch te kijken welke stukken voor een auditie relevant zijn.Tegelijkertijd zijn ze allemaal getraind door musici die eerder in het orkest speelden en ze de oude tradities hebben bijgebracht. Hierin zie je mooi het ‘spel’ terug tussen moderniteit en traditie: hoe ga je met je tijd mee, zonder te vergeten wat je is nagelaten door de geschiedenis?

In mijn films probeer ik vooral de realiteit vast te leggen, ik ben niet bezig mijn mening er als een stempel op te drukken. Het liefst maak ik feelgood films, omdat ik geloof dat de mensheid die nodig heeft als tegenwicht voor alle ellende in de wereld. In het geval van De Koninklijke Republiek was het niet moeilijk om er een feelgoodfilm van te maken. Het maken ervan was een feestje en ik hoop dat je dit ook terugziet in de film.’


De Koninklijke Republiek gaat op 8 februari in premiere in Eye Amsterdam. Vanaf 9 februari draait de film in de bioscopen.

word ook Kleine Vriend
€4 per maand

meer dan 120 mensen
gingen je voor!