
Foto door Marianne Hommersom
Introductie van de Vuurvogel
Verhaal bij de Vuurvogel van Igor Stravinsky.
Deze man heeft de grootste achtertuin die ik ooit gezien heb. Hij lijkt wel een Duitse keizer. Het Zwarte Woud, dat lijkt zijn achtertuin wel. Er staan honderden of duizenden dikke, donkergroene bomen dicht op elkaar. Ze beginnen meteen waar zijn huis ophoudt. Als hij zijn tuindeuren openzet, staan we in het woud. Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. De meeste jongens bij wie ik bleef slapen, hadden nauwelijks beddengoed. Ik ken bijna niemand met een achtertuin, laat staan een hele grote. Deze man heeft een bos als achtertuin, met een omgekapte boom waar je op kan zitten, en een klein tuinhuisje, eventjes verderop. In het tuinhuisje staat een grote piano. Hier geeft hij les, muziekles, aan kinderen uit de buurt. Hij heeft kleine, smalle vingers, met nagels waar vuil onder zit. Hij heeft mooie handen. Mooie handen en een mooie tuin.
Als hij me bij hem thuis uitnodigt, maken we een wandeling door zijn tuin. Ik krijg van hem een paar rubberen laarzen omdat mijn gympen anders wegzakken in de modder. De rubberen laarzen hebben een vlinderpatroon en zijn duidelijk aangeschaft voor iemand anders dan hijzelf, maar wel al vaker gedragen. Ik stel de vraag wie deze laarzen eerder droeg nog even uit. Wandelend in zijn tuin haakt hij zijn arm in de mijne, alsof we bejaard zijn, of in ieder geval heel oud. Hij wijst me heel veel bomen aan; een es, een eik, een den. Zijn tuin heeft geen pad, hij kent de weg gewoon op gevoel, zegt hij, en omdat hij sommige vogels herkent. Ik zie, in alle eerlijkheid, op onze hele wandeling geen vogels.
Het is heel stil in zijn enorme achtertuin. Het enige wat ik hoor is het zoemen van wat bijen, een muis, die bang wegschiet. Er vliegen vlinders, witte vlinders, en dan, zomaar, ligt er voor mij een worm. Eindelijk kan ik hem iets vertellen, namelijk: wist hij dat wormen zeven jaar oud kunnen worden? Tenminste, als ze niet worden opgegeten door een vogel, of overreden door een auto of fietser, of platgestampt door een rubberen laars. Onzin, zegt hij. Het klopt niet, het is net zoals dat verhaal met die acht spinnen die een mens zogenaamd jaarlijks in zijn slaap opeet. Ook dat is lariekoek. Ik haal mijn schouders op en stap over de worm heen. Zeven jaar is een bepaald soort eeuwigheid, die ik hem van harte gun.
Je zou me hier gewoon kunnen Alpine divorcen, zeg ik, zo groot is het hier. Hij kijkt me vragend aan, hij weet niet wat dat is, zegt hij. Ik zou het kunnen uitleggen, maar voel me altijd gênant jong als ik hem een internetfenomeen probeer uit te leggen. Alsof ik hem een routebeschrijving probeer te geven van een route in een stad waar hij nog nooit van gehoord heeft, laat staan geweest is.
Pas als we een uur of twee in redelijke stilte door zijn tuin hebben gelopen, hoor ik haar: de enige vogel in zijn enorme tuin. Het is geen zangvogel, ze krast, piept en schreeuwt eerder. Ik kijk omhoog. Daar, in een enorme boom, zit een enorme, felrode vogel. In haar mond heeft ze een takje, dat ze tussen de andere takken propt; ze bouwt een nest. Haar staart is lang, rood, oranje, geel, alsof ze in brand staat. Ik weet niet veel van vogels, dus ik vraag hem hoe ze heet. Dat weet hij niet, zegt hij. Hij heeft haar nog nooit gezien. Kijk dan, zeg ik. Ik wijs naar haar. Ze is onmogelijk te missen, knalrood en parmantig, met felle, diepzwarte ogen. Hij schudt zijn hoofd. Ik zou hem willen vertellen dat het waarschijnlijk komt door zijn oude ogen. Dat hij een te groot deel van zijn leven naar kleine noten op dunne papiertjes heeft gestaard. Maar dat zal ik pas doen als hij me weer veilig naar zijn huis heeft gebracht.
***
Volgens mijn vriendin Camilla is hij geen slechte man. Hij is geen slechterik, zegt Camilla. Zegt iemand dat dan, vraag ik. Nee nee, zegt ze. Maar ik geloof dat een van de andere meiden weleens zoiets heeft laten vallen. Omdat hij je heeft meegenomen naar dat gênant grote huis van hem, en we je tegenwoordig allemaal niet meer zien. Ze neemt een slok van haar bier. Ze heeft een vrij aanstellerig biertje uitgekozen, iets met verschillende kruiden en vruchten, omdat haar vriendje veel van bier weet, en zij dus tegenwoordig ook. Zo gaat dat altijd met vriendjes; ze houden ergens van: bier, kamperen, wielrennen, hun moeder, en dus gaan mijn vriendinnen daar binnen de kortste keren ook obsessief mee aan de slag. Voor je het weet sta je elke zaterdagmiddag met een andere vriendin in de Bever wielrenschoenen uit te zoeken voor de tour die ze met haar vriendje zal gaan rijden. Zo ook Camilla, waarvan ik me zelfs nog vaag herinner dat ze ooit allergisch was voor gluten. Daar is inmiddels blijkbaar geen sprake meer van.
Ik geloof niet dat hij een slechterik is, zegt Camilla, maar we vinden het wel allemaal vreemd dat we je nooit meer zien. Ik bedoel, hoe lang kende je hem voordat je bij hem ging wonen? Een maand? Dat is niet normaal, zegt ze. Ik haal mijn schouders op. Camilla zucht. Ik geloof dat hij geen slechterik is, echt Maar wat is er zo leuk aan hem? Is het dat hij pianoles geeft aan kinderen? Want de broer van Mitch kent ook nog wel een hele leuke jongen die volleyballeraar is. Die woont wel wat dichterbij en is ook, weet je wel, wat meer zoals wij. Onze leeftijd. Dus als dat het is… Camilla laat haar zin ergens tussen ons in eindigen. Ik scheur kleine stukjes van een servetje, maak een hele berg aan witte snippers. Ik weet niet wat het is, zeg ik. Hij heeft geloof ik gewoon een hele mooie tuin.
’s Avonds in bed zegt hij dat hij liever niet wil dat ik Camilla nog veel vaker zie. Ik snap niet waarom, want volgens Camilla is hij geen slechterik, terwijl al mijn andere vriendinnen dat wel schijnen te denken. En die spreek ik al nauwelijks meer, sinds ik hier ben komen wonen. Ik vraag hem waarom hij denkt dat ik Camilla niet moet zien. Hij draait zich naar me om. In het donker is er bijna niks van hem te zien, alleen zijn neus, die wat groot is voor zijn verder vrij kleine gezicht, maar juist door die grootte erg aandoenlijk. Als hij alleen die neus was geweest had ik waarschijnlijk nog meer voor hem gevoeld. Een iets te grote neus op een iets te dunne nek in een nog veel grotere wereld. Als hij alleen die neus was geweest had ik graag een sjaal om hem heen geknoopt om hem tegen de kou te beschermen. Ja. Voor alleen een neus was ik veel zorgzamer geweest. Met alleen een neus op een iets te dunne nek met een sjaaltje om zijn schouders had ik met alle liefde oud willen worden. Was ik gestopt met Camilla zien. Maar zo zijn de kaarten jammer genoeg niet geschud. Hij legt zijn handen over mijn buik, kijkt ernaar en wrijft er even over.
Dan draait hij zich van me af, en valt direct als een blok in slaap. Het is hier heel donker, ’s avonds, en ook heel stil. Ik hoor alleen hem inademen, door zijn grote neus, en in de verte hoor ik heel soms het schelle gekras van de Vuurvogel. Als ik uit het raam kijk, het donkere bos in, zie ik in de verte haar nest. Er parelen twee enorme eieren in, die als twee schalige ogen naar mij kijken. Ik kijk terug en niemand knippert.
***
De uitvoering van zijn muziekschool is op een zondag. Het is een weggegooide dag, een dag die zowel veel te lang als veel te kort duurt, een dag waarop het voor je het weet vier uur ’s middags is, een duivels tijdstip. Urenlang luister ik in zijn tuinhuis naar verschillende kinderen uit de buurt die verschillende liedjes op de piano spelen. Ik zit naast hun ouders op oncomfortabele stoelen, met mijn benen over elkaar in een jurk die hij voor me heeft uitgekozen. De jurk is vaalroze en zit overal heel dicht op de huid; het is een jurk die ik nooit voor mezelf zou uitzoeken. Ik zie eruit als een worm; een worm die naar kinderen luistert die muziek maken, muziek die vast heel mooi is, maar die ik niet goed kan waarderen, omdat ik een worm ben.
Voor mij zit een vrouw aandachtig te luisteren naar een kleine jongen die piano speelt. De kleine jongen heeft een kleine hoed op. De vrouw voor mij houdt haar telefoon voor haar gezicht en filmt de kleine jongen met de kleine hoed. Langzaam en zachtjes tik ik haar op haar schouder. Ze draait zich om, enigszins gepikeerd, en ik probeer haar zo zacht mogelijk te vragen of ze even op haar telefoon voor mij wil opzoeken hoe oud een worm eigenlijk kan worden. Wat?, fluistert ze. Een worm, fluister ik. Hoe oud kan hij worden? De vrouw schudt geïrriteerd haar hoofd en draait zich weer om naar het concert.
Een rij stoelen verder kijkt hij mij boos aan. Hij had me gevraagd om niet te veel op te vallen tijdens de uitvoeringen. Gevraagd of dat me zou lukken. De mensen vroegen zich al af wat hij nou moest met dat vreemde meisje. Ik, zei hij, kon vandaag een hele normale indruk maken, dat zou ons allebei goed doen. En wilde ik het niet heel graag goed voor hem doen? Wilde ik niet heel graag normaal voor hem zijn? Ik wist eigenlijk niet meer zo goed wat ik wilde. Er waren heel veel dingen die ik opeens niet meer wist.
De kleine jongen met de kleine hoed speelt door. Zijn spel wordt ruwer, sneller, grover, hij slaat steeds harder op de toetsen van de piano. Eigenlijk speelt hij echt wel goed, voor een hele kleine jongen. Dan slaat hij zo hard een noot aan, dat zijn hele kleine bovenlijf meekomt. Hij gooit zijn kleine hoofd in zijn nek, en zijn hoed vliegt af. Het is een harde hoed, zo blijkt, want hij vliegt tegen een muziekstandaard die met veel lawaai op de grond klettert. Commotie. Er staan wat mensen op om de standaard op te tillen. De kleine jongen is gestopt met spelen. Met zijn handen voelt hij aan zijn hoofd, dat er gelukkig wel op is blijven zitten. Ouders beginnen te praten. Nu moet de pianoleraar opstaan om het woord te nemen, de mensen stil te krijgen en de kleine jongen gerust te stellen, en dat doet hij. Hij kijkt niet mijn kant op. Heel vlug sta ik op en loop ik het huisje uit.
Het bladerdek is zo groen dat het nat lijkt, sappig als vochtig mos. En dat terwijl het uitzonderlijk droge dagen zijn geweest, zo vertelde hij me eerder. Er zal geen worm te bekennen zijn. Slecht nieuws voor de Vuurvogel, die zo langzamerhand wel bezig zal zijn met het uitbroeden van de eieren in haar nestje. Ik loop met flinke stappen het bos in. Ik ken de weg niet goed, maar haar kan ik wel vinden. Ik volg het geluid van haar vleugels, haar gekras, in het verder stille bos. In de verte zie ik haar lange staart al, felrood afstekend tegen al het groen. Eenmaal onder haar boom kijk ik omhoog naar haar nest. Daar zit ze, op de rand van haar zelfgebouwde kraambed, naast haar twee eieren. Ze kijkt me aan, heft haar staart en zwiept dan een van haar eieren het nest uit. Het valt en komt met een doffe pats naast mij neer, zonder bombarie, gewoon, het zachte breken van een eierschaal, het druppelen van lekkend vocht. Als ik opnieuw naar haar opkijk, werpt ze haar tweede ei ook het nest uit. Ook dat vliegt, breekt, lekt de grond in. Ze hopt haar nest uit, schudt haar vleugels uit en kijkt me aan. Dan krast ze een keer, heel hard, zet zich af en vliegt op.
Ik kijk naar de twee gebroken eieren op de grond. Twee doffe dreunen. Ik kijk heel even, of een dag, of zeven jaar, of in ieder geval: een bepaald soort eeuwigheid. Daarna volg ik haar diep het doodstille bos in.
Faye Schumacher (1999) is theater-, tv- en prozaschrijver. Ze studeerde aan het European Film College in Denemarken en volgde de opleiding Writing for Performance in Utrecht. Ze schreef eerder voor tv-programma’s van de VPRO, publiceerde korte verhalen in o.a. Hard//hoofd en Kluger Hans en maakt samen met haar zus, Thalia Schumacher, theatervoorstellingen onder de naam ‘schumacher&schumacher’. Haar teksten gaan vaak over rare vrouwen, vreemde relaties, popcultuur, mensen die slecht uit hun woorden komen en het patriarchaat.
Meer verhalen? Schrijf je in voor de nieuwsbrief en ontvang elke twee weken een nieuw verhaal in je inboxje.
Voor onderweg, in bed of op de fiets: de verhalen hoor je nu ook in onze podcast.